Er was eens een stad die in een vallei lag als een steen in een vore. En het had veel hoge schoorstenen en veel lage daken waar de regen doorheen gaat. En het had veel rijke mensen die eigenaar waren van de schoorstenen, en veel armen van wie de regen was. En het was net als in alle steden niet beter en ook niet slechter. Wie daar had, die werd gegeven, zodat hij overvloed had, en wie niets had, werd beroofd van wat hij had.

In het voorjaar waren de arme mensen blij omdat het gebladerte groen was en de zon scheen, en omdat zij hoopten dat, nu alles beter zou worden met Gods wet en orde in de wereld. En in de herfst werden ze weer langzaam treurig, omdat de zon verdween achter de bergen, en het gebladerte viel en er niets beter was geworden.

Ook de rijken hadden hun zorgen toen de prijzen daalden, maar in het algemeen waren zij toch tamelijk gelukkig en blij van hart, en in de tijd van het advent gaven ze zelfs voor de armen: versleten kleding en een beetje kolen, en ze hebben zelfs een "gaarkeuken" ingericht. Ze noemden het zo, omdat daar voor het volk gekookt werd, en dachten dat er niets mis mee was.

Op kerstavond waren de rijke mensen echter bijzonder blij. Er waren hele tafels met geschenken en een schitterende feesttafel met karpers of met Praagse ham of met een kalkoen. En ze toasten met de wijnglazen en waren ontroerd, toen de muziekdoos aan de voet van de Kerstboom "Stille Nacht, Heilige Nacht" speelde. Omdat ze een goed geweten hadden, en altijd uit hun jeugd nog een zwakte voor het kind dat in een wieg lag en zich voor hen aan het kruis had laten slaan.

En dus was het geen wonder dat vanavond de arme mensen bijzonder verdrietig waren. Ze dachten ook aan het kind in de kribbe. Maar een kind dat beloofd had om terug te komen, en dat nu nog niet gekomen was, en sommigen dachten ook dat het daar bij de ezel en de ossen waarschijnlijk warmer was geweest dan bij hen. Nu was dat zo jaar na jaar gegaan tot op een kerstavond waar vooral de rijke mensen vrolijk waren en de armen bijzonder verdrietig. Want de schoorstenen hadden het hele jaar gerookt en de regen was het hele jaar gevallen, en nu lag de sneeuw diep en stil over de hele stad en de bossen op de bergen schreeuwden in de vorst die hun hout spleet.

En als de vreugde achter de heldere ramen en het verdriet achter de donkere ramen het grootst was, gebeurde het, dat op de witte weg die van de vlakte naar de stad leidt, er drie mannen aankwamen. Soldaten moesten het zijn, want ze hadden stalen helmen over hun voorhoofden en open grijze jassen en daaronder verbleekte wapenrokken. Maar het grauw van hun kleren was helemaal vervaagd en door de aarde bruin geworden en had donkere vlekken die door een zwarte vloeistof langzaam opgedroogd waren. Ook moesten zij een moeilijke weg zijn gegaan, want hun mantels hadden gaten, en hun rokken waren hier en daar aan flarden gescheurd, bij één op de borst, bij de ander op het lichaam, en de derde had slechts één been, en op de knie had hij een zware tak gebonden, zoals men die in het bos vindt. Waarop hij liep in plaats van met een voet.

Ze liepen stilletjes zij aan zij, en het zag er een beetje vreemd uit toen de wind hun losse jassen optilde. Maar het was het meest eng, wanneer de volle maan, achter een wolk vandaan kwam en zijn licht over de witte aarde viel. Toen was alles veel duidelijker te zien: de gaten in de kleren en de donker geronnen vlekken. En toen zag men ook dat de gezichten grijs waren, zo grijs als een mist in een oud bos. En dat er geen schaduw achter hen is en geen spoor, maar alleen de witte band van de straat en een weinig wind en de blauwe schaduw van de winter nacht.

Zo kwamen ze tussen de besneeuwde meidoorn hekken langzaam de stad in. Rechts en links van hun weg, waar de kleine boerderijen in het veld lagen, begonnen de honden te huilen, maar omdat er strenge vorst was en de heldere maan scheen, was het niet verrassend dat ze huilden. Alleen de kinderen zagen onrustig van het geschenken op, en de oude mensen hielden hun vinger op de regel in de Bijbel waarin ze hadden gelezen en keken met hun uit gedoofde ogen door de bevroren ramen naar buiten, alsof ze buiten iets zagen dat hen alleen aanging, en dat de jongeren nog niet konden weten. En overal waar de lichten van een kerstboom branden, flakkerde de stille gloed opeens op en neer, als zweefde een heimelijke wind door de kamer.

Toen waren de soldaten in de stad, en ze gingen direkt links, waar tussen de rustige tuinen de huizen van de rijken stonden. Ze gingen zoals soldaten nu eenmaal gaan, die weten dat ze nog steeds op tijd komen, op het kantoor bijvoorbeeld, of in een gevecht, of om te sterven. En ook hun gezichten waren soldaten gezichten, met kleine zorgen en een beetje irritatie en veel geduld en zeer veel kennis over het lot van alle schepsels.

Voor het eerste stille huis stopten ze en zagen over het tuinhek naar de verlichte ramen. Muziek werd gehoord en onopvallende geluiden die uit rijke huizen in donkere straten te horen zijn. Ze luisterden een tijdje, waarbij hun grauwe gezichten een beetje donkerder werden, knikten toen naar elkaar en klommen via de netjes schoongemaakte traptreden naar boven. Voor de brede eikenhouten deur hief de ene de hand en legde een vinger op de donkere knop van de bel. En je kon zien dat de hand zo grauw was als het gezicht en dat een beetje aarde aan de blauwe nagels kleefde.

Een meisje in een zwarte jurk met een witte schort opende de deur. Ze zag er schoon en verzorgd uit, en het was geen wonder dat ze schreeuwde toen ze de drie soldaten voor de drempel zag staan. Natuurlijk wilde zij de deur dichtgooien, maar de man met de berkentak aan het been legde de vingertoppen op het hout, en toen gingen ze naar binnen. Ze vroegen niets. Ze gingen rechtstreeks naar de wijd scharnierende deur, waarachter het gelach en het klinken van de glazen en de muziek te horen waren. En toen ze de openslaande deuren uit elkaar hadden geschoven, stonden ze op de drempel in hun open jassen met hun gehavende uniformen, hun grijze stalen helmen en hun stille gezichten daar onder, die als een mist waren in een oud bos.

De muziek hield stil, het gelach stierf, een glas viel in scherven op het witte doek. Daar zaten ze nu met het eten en de drank, en de geschenken en staarden hen aan. Een dikke man en een dunne vrouw die opgedoft was als een vogel, en veel kinderen en veel gasten. De lichtjes in de boom, flakkerden, de zilveren draden wuifden, een spoortrein die over de rails over het tapijt liep, en van de kinderen was, reed nog steeds, kwam bij een wissel en viel daar om. De wielen draaiden nog een tijdje rond in de lucht, en toen was het heel stil.

De dikke man was de eerste die zijn kalmte herwon. "Wat is er aan de hand?" vroeg hij met een rustige stem. "Hoe later op de avond, hoe schoner de gasten.....nou wat willen jullie? Wie zoeken jullie?

"Vrede," zei de soldaat met de kapotte borst... Hij zei het heel stil, maar toch was het te horen dat zelfs de stem vreemd was, een saaie, grafstem, die onder stenen lag en niet op kon staan.

"Vrede?" zei de man, en kon nu weer op zijn veilige manier lachen. "Vrede hebben we, geloof ik, sinds dertien jaar...waar kom je dan vandaan? Heeft men vergeten, jullie te demobiliseren?"

De gasten begonnen nu weer te lachen, hoewel hun ogen nog steeds bezorgd naar de drie mensen keken. "Niemand van ons heeft vrede," zei dezelfde stem, zolang de panter niet bij de lammeren ligt en zolang de rijke man niet de gestalte aanneemt van een dienaar om de last van de armen te dragen. Zolang kan niemand van ons daar buiten .....opstaan"

Wat zegt u vroeg de dikke man een beetje bleek. "Opstaan, zei u? Hoe....ja....waar is dan dit "buiten?" "Wij" zeiden de drie met één stem. "Ja....en....ja....wat willen jullie eigenlijk?" Schreeuwde de man plotseling. "Willen jullie bedelen?"

"Elf miljoen bedelen niet," antwoordde de soldaat stilletjes. "Maar de elf miljoen willen nu niet meer...willen het niet meer koud hebben, begrijp je dat niet? Voor de vrede hebben wij dat gedaan" - hij wees op zijn kapotte borst-, "en niemand laat ons binnen voordat de vrede op aarde waar is."

"Binnen laten?" mompelde de dikke man. "Binnen....waar....binnenlaten? "Bij God" "Bij....God.....ja...." Op dat moment begon één van de kinderen te huilen, een snel stijgend, luid en verschrikkelijk huilen, hoewel de moeder haar handen op zijn hoofd en zijn ogen legde, bleef het huilen, en ging maar door met jammeren, als een ziek dier, aangeraakt door de dood.

"Dat gaat zomaar niet", zei de man boos. "U ziet dat u de kinderen bang maakt. Wat voor de duivel wilt u nu eigenlijk?"

"Vrede," herhaalde de man zachtjes.
"Maar hoe, wat? Dit is toch gekkenwerk!"
"Je moet je ontdoen van wat je hebt", vervolgde de stem, "Huis, geld, geluk en comfort, en je moet je leven lang dienstbaar zijn. Bij de poort, waar het bos begint, daar leeft één van je knechten, een kreupele, die in je machine kwam. Het dak lekt, en op zijn brood zit het zout van zijn tranen. En als hij sterft, zullen ze hem begraven als een hond. Kom met me mee, trek zijn kleren aan, eet zijn brood. Wij brengen je er heen. Verander jezelf zodat we hem hierheen kunnen brengen in jouw plaats. Dan zal er vrede zijn, omdat een mens een dienaar is geworden, en Christus zal alleen met jou het avondmaal met je eten."

"Christus," zei een zachte stem, "Christus heeft dat al gedaan voor ons allemaal, en niemand hoeft hem gelijk te zijn."

De soldaat keek waar de stem vandaan kwam, en sloeg zijn mantel terug, zodat men de holte in zijn lichaam zag. "Christus," zei hij, "Christus is gestorven met ons, vier jaren lang, en hij ligt nu bij ons, in de koude en donkerte, en ook hij wacht op de vrede."

Nogmaals keek hij naar de dikke man, maar die ontweek hem, zocht naar geld in zijn zak, maar trok de hand weer terug.

Toen keerden de soldaten zich om en gingen naar buiten. De soldaat met de berken tak klopt op het spiegelgladde parket, op de lopers in de gang, en op de trap. Het was een zware stap, alsof hij een zware last droeg. Ze hoorden de voordeur open en dicht gaan als over een tombe, en toen gingen de lichtjes van de boom uit met een koele windvlaag.

Tot het eerste hanengekraai gingen de soldaten van huis tot huis, maar ze kregen de vrede niet. Ze vonden een hond in een donkere tuin, op zoek naar voedsel in de vuilnis onder de ramen. Hij liep een stuk met hen mee totdat de maan opging over een steil dak waardoor de schaduw van de hond alleen voor hem op de witte weg was. Toen kneep hij er tussen uit en bleef achter.

Toen gingen de soldaten weer de stad uit. De wind bolde hun open jassen op, en de berkenvoet klonk hard en dof op de bevroren steen. Toen ze door de oude poort liepen, begonnen in alle torens de klokken te luiden voor het opgaan naar de Kerstnacht dienst, een lied, dat over de daken naar de sterren rees. Zij draaiden zich om en keken terug, en nu was er voor het eerst zoiets als een bitter glimlachen om hun grijze mond. En met de eerste glimlach verstomden de klokken. Het was alsof het glimlachen hen had gestoord en hen naar beneden had gebracht naar de bodem van een lege wereld. Alleen de nagalm ging met golven over the land, en de echo kwam nog eenmaal terug van de bergwand.

En toen begonnen de honden weer te huilen op de hofsteden in het veld en de ouden werden wakker uit hun lichte slaap en sloegen moeizaam een kruis tegen het bevroren raam voor de volle maan.